Denk je dat ik borderline heb?

Denk je dat ik borderline heb?

“Denk je dat ik borderline heb?”

vraagt ze me
aan het begin van de sessie
met een indringende blik.
De beslistheid in haar stem
onthult dat ze lang nagedacht heeft
of ze me deze vraag zou stellen.

Oei, denk ik,
daar heb ik niet eens over nagedacht.
Soms denk ik dat van mensen,
soms zou ik het kunnen denken,
maar denk ik het niet actief
en soms denk ik het in het begin
en daarna niet meer
of omgekeerd.

Maar of ik het nu denk,
dat weet ik niet.
Ik voel vooral dat ik haar graag zie,
zoals ik cliënten graag kan zien.
Iets in haar manier
van in het woelige leven te staan
roept een oprechte appreciatie bij me op.

Oei, Sarah,
ik weet zelf niet eens of ik dat denk.
Ik denk dat ik
het nog niet gedacht heb,

antwoord ik eerlijkheidshalve.

Maar ik voel
dat het belangrijk is voor jou
dat je weet of ik dat denk?

probeer ik
het belang van haar vraag recht te doen.

Ja!
Ja, ik moet dat echt weten.
Ik moet weten of jij dat denkt,

zegt ze op een nog even besliste toon
die nu ook de lading van urgentie dekt.

Ik voel me wat zenuwachtig worden.
Ik heb niet graag
dat mensen me vragen stellen
waar ik nog niet over nagedacht heb.

Ik heb het tot nu toe niet gedacht,

probeer ik opnieuw,
deze keer
met een iets stevigere stem,
in de hoop
dat er geruststelling kan schuilen
in die stevigheid.

Ja, maar denk je
dat je het zou kunnen denken
als je erover nadenkt?

vraagt ze.
Ondertussen kijkt ze al wat angstiger.
Alsof er al
te veel vertraging zit
op mijn antwoord
dat ze zo nodig lijkt te hebben.

Zou ik kunnen denken
dat Sarah borderline heeft?
Misschien,
als ik daar lang over nadenk,
zou ik dat kunnen denken.
Misschien.

Misschien Sarah,
als ik er lang over nadenk,
zou ik dat kunnen denken.

Terwijl ik het uitspreek,
betwijfel ik ten zeerste
of dit enigszins
geruststellend zou kunnen klinken.

Deze keer
volgt er niet onmiddellijk
een nieuwe vraag van Sarah.
Ze kijkt me nog heel even aan
en dan,
voor het eerst in de voorbije minuten,
neemt ze haar blik van me af
en kijkt ze naar buiten.
Naar de lege straten.

Ik voel me bezorgd.
Het lijkt alsof
ze een antwoord gevonden heeft,
maar ik weet niet
welk antwoord ze gehoord heeft.

Ik vraag me af
of ik haar moet vragen
wat er nu door haar heen gaat,
maar in de plaats
leun ik in mijn stoel naar voren
en blijf ik in stilte aanwezig.

Wanneer haar eerste traan valt
en ik me voorneem toch iets te vragen,
kijkt ze me terug aan
met een zachte en trieste blik.

Ze haalt adem en zegt:

Ik kom hier al lang
en wachtte zo lang
om je die vraag te stellen.
Ik dacht dat
als ik lang genoeg wachtte,
je eerlijk zou antwoorden.
En nu antwoord je
alsof het er niet toe doet.
Alsof de meest prangende vraag
die ik je ooit stelde,
er voor jou niet toe doet.

Er rolt nog een traan
over haar wang.
Ze haalt nog eens adem
en gaat verder:

En net dat,
net dat,
raakt me.
Alsof,
voor het eerst in mijn leven,
het er voor mij,
misschien,
ook niet zo toe doet.
Misschien.


Gianina Frediani is klinisch psycholoog, relatie- en gezinspsychotherapeut en gecertificeerd EFT-therapeut. Ze heeft daarnaast ook een specialisatie opleiding gevolgd in existentiële psychotherapie. Ze is als clinicus werkzaam binnen Praxis P (het praktijkcentrum van de KU Leuven) en werkt daarnaast ook aan de KU Leuven aan een doctoraat rond existentiële empathie.

Koppels kunnen bij haar terecht op afspraak in Praxis P in Leuven.