Het gebruik van je eigen hechtingsgeschiedenis in supervisie

Het gebruik van je eigen hechtingsgeschiedenis in supervisie

(Oorspronkelijke tekst: Barbara Kohnstamm, Certified EFT Supervisor & Trainer, Amsterdam, Nederland)

In deze tip wil ik graag twee vragen beschrijven die supervisanten aanmoedigen om triggers bij zichzelf op te sporen die hen kwetsbaar maken om gevangen te geraken in de negatieve cirkel van het koppel. Ik wil evenwel niet beweren dat de primaire focus in supervisie op de persoonlijke triggers van de therapeut moet komen te liggen. Anderzijds is duidelijk dat toegang zoeken tot het innerlijk gesprek van de therapeut erg waardevol kan zijn in supervisie. Ik ben aangemoedigd en gerustgesteld als ik zie hoe het zelf van de therapeut onder de aandacht is komen te staan.

Zoals we allemaal weten zijn er momenten in de sessie dat we gevangen geraken in de issues of dynamieken van onze koppels. Zo zijn er ook momenten dat onze eigen innerlijke responsen op wat cliënten met ons delen ons verhinderen om volwaardig aanwezig te zijn in de sessie. Soms moeten we plotse hevige reacties t.a.v. een cliënt eerst proberen te begrijpen opdat onze reactie verteerd en vervolgens therapeutisch benut kan worden.

Ik noem dit proces “het innerlijk gesprek van de therapeut”. In psychoanalytische literatuur wordt verwezen naar overdracht en tegenoverdracht. In systemische literatuur wordt dit ook wel “parallel proces” genoemd; resoneren met het systeem of er deel van worden. In EFT spreekt men soms van “gevangen geraken in de negatieve cyclus”.    

Dit innerlijk gesprek kan naar verschillende lagen refereren.

Op de professionele laag kunnen we bijvoorbeeld vragen:

Wat zou ik nu kunnen doen binnen het EFT-model?

Op de persoonlijke laag zouden we kunnen vragen:

Wat ga ik doen met deze specifieke emoties of gevoelens die ik bij mezelf gewaar word? Wat kan ik doen om deze emoties een plaats te geven in het heetst van de strijd?

Een therapeut kan zich simpelweg realiseren dat er iets gebeurde waarover hij/zij na de sessie nog even moet reflecteren, al dan niet met de hulp van een supervisor of in intervisie.

Ik wil graag eventjes uitweiden op het persoonlijke niveau van het innerlijk gesprek om vervolgens enkele eenvoudige vragen voor te leggen die bruikbaar kunnen zijn voor supervisie- of zelf-supervisiegesprekken. Ik zal ook voorbeelden geven van hoe het zich bewust zijn en exploreren van persoonlijke blokkades kan leiden tot een verhoogde capaciteit om empathie en responsiviteit te bereiken in therapie.

Toegang zoeken tot het innerlijk gesprek van de therapeut is altijd een belangrijk onderdeel van mijn supervisiewerk geweest. De supervisie moet veilig genoeg zijn om dit soort gesprekken te voeren, zonder dat het therapeutische sessies worden. Zo hebben we wel vaker ontdekt wat de persoonlijke kwetsuren waren die moesten benoemd of geëxploreerd worden opdat de therapeut meer zelfvertrouwen kon winnen, of minstens zich bewust werd van bepaalde innerlijke responsen.

Aanvankelijk wachtte ik af alvorens dit soort persoonlijke gesprekken te hebben tot er iets in de sessie gebeurde dat ofwel de supervisor of de supervisant triggerde om het innerlijk gesprek van de therapeut op een meer persoonlijke manier te verkennen. Maar toch leidde dit – net omdat we er middenin zaten – bij de supervisant meestal tot een onaangenaam gevoel of een gevoel van vast te zitten. Later ben ik meer gaan nadenken over hoe dit soort gesprekken minder bij toeval konden plaatsgrijpen.

Dus begon ik hierover te spreken met mijn supervisanten:

Wat denk je dat goed zou zijn dat ik over jou en over jouw eigen hechtingskwetsuren en -angsten zou weten of begrijpen, zodat wanneer deze in jouw werk met koppels worden aangeraakt, we beiden al een idee hebben wat dit zou kunnen betekenen? Zou het daarom kunnen helpen om hier nu even een gesprek over te hebben of verkies je om er even over na te denken en me volgende keer hierover iets te vertellen?

Ik ben dit in het eerste supervisiegesprek beginnen vragen, alsook in lopende supervisies. Hieronder geef ik enkele voorbeelden van hoe therapeuten hun persoonlijke knelpunten of automatische patronen binnenbrachten die hen vrijer hebben gezet om in te voelen met cliënten én om deze punten in hun persoonlijke leven ook meer aan te pakken.

Eén supervisante antwoordde:

Wel, ik was heel erg de beschermer en vertrouwenspersoon van mijn moeder. Ik zag hoe ongelukkig ze was over de ontrouw van mijn vader en ook hoeveel zorgen ze zich maakte over mijn gehandicapte broer. Dus als jong meisje had ik erg de neiging en de behoefte om haar te helpen, aan haar kant te staan om de last mee te dragen en om de dingen zeker niet erger te maken voor haar.

Tijdens het bekijken van de therapiesessie vertelt een jonge vrouw (echtgenote) over haar ontrouw aan haar partner. Ze is erg moedig en wil haar man vertellen hoe schuldig ze zich voelt en dat ze weet wat zijn pijn is. Ik merkte op dat de therapeute zich erg snel tot de partner wendde en zich wegdraaide van deze dappere en moedige echtgenote. Ik vroeg de therapeute:

Wat is er gebeurd?

Ze antwoordde:

Ik weet het niet. Ik kon het niet aan om bij deze vrouw haar opbiechten te blijven en ik voelde de nood om haar te beschermen.

We linkten de nood van de therapeute om haar moeder steeds te willen beschermen aan de automatische neiging om deze cliënte te willen beschermen tegen het uitspreken van pijn en schuldgevoelens. Zo erkende de therapeute dat ze dit niet meer op dezelfde manier hoefde te doen zoals met moeder. Ze kon ze de vrouw meer ondersteunen om belangrijke zaken aan haar man te uiten opdat een proces van heling mogelijk kon worden. In die zin was het ondersteunen om “openlijk te delen” het meest “beschermende” dat de therapeute kon aanbieden.

Een andere therapeute antwoordde:

Mijn moeder zat in een concentratiekamp. Dus steeds wanneer er een cliënt is wiens ouders in een concentratiekamp hebben gezeten, voel ik enorme empathie voor deze persoon, maar bij momenten voel ik teveel mee.

Maar later zei ze:

Ik heb nagedacht over je vraag. Het is ingewikkelder dan dat. De echtgenoot in dit koppel doet me aan mijn eigen man denken. Ik zie mijn man heel graag maar hij kan zo’n pestkop zijn en mijn kinderen zien er van af. Niemand van ons kan dat met hem bespreken. Hij laat het niet toe om erover te spreken en daarom lopen wij dus op eieren. De man in dit koppel doet precies hetzelfde. Dus ik voel me geblokkeerd en ik ben bang om er met hem over te spreken.

Nu ik door heb hoe ik hierin vastloop met deze cliënt, zie ik twee zaken veel duidelijker: ik moet een manier zien te vinden om met mijn eigen man te spreken en ik ga proberen om de man in dit koppel niet te vermijden. Ik voel me minder geblokkeerd nu.

In de daaropvolgende sessies kon de therapeut beter begrijpen hoe de man als kleine jongen zelf had afgezien van het pesterige gedrag van zijn eigen vader en hoe hij had gezworen nooit te eindigen als pester zoals zijn vader. Maar daar zat hij dan. Te luisteren naar zijn vrouw die hem precies dat probeerde duidelijk te maken. Hij vond het bijna ondraaglijk om deze gevoelens te ervaren. Het heeft veel moed en sensitiviteit van de therapeute gevraagd om dit – hoewel kort – met hem te mogen verkennen. De supervisor en supervisante waren het erover eens dat zonder het vinden van deze parallel, de therapeute wellicht niet in staat was geweest om aan te sluiten bij (de primaire emoties van) deze man.

De antwoorden die ik op mijn vraag heb gekregen over de hechtingskwetsuren en -angsten hebben me op verschillende manieren geraakt. Het heeft me geholpen om een sfeer van wederzijds begrip te creëeren dat we allemaal menselijk zijn en we allemaal dezelfde soort schaamte, angst of pijn kunnen ervaren. Ik heb het gevoel dat bij de start van een supervisieproces even wroeten op deze vraag normaliseert dat we allemaal bij momenten als “mensen” worden getriggerd. Hopelijk kan het een toon zetten, kan het dienen als een uitnodiging om even te wroeten op die aspecten van onze innerlijke dialoog. Dit korte proces geeft ons de kans om onze empathie voor cliënten te vergroten, of moedigt ons aan om er ons meer van bewust te worden, of om explicieter te durven zijn over de dingen die ons raken. Het helpt ons ook om bewuster te zijn van hoe het kan zijn om mee gevangen te geraken in een negatieve cyclus van een koppel waarmee we werken.

Het is alsof we, net zoals de koppels waarmee we werken, aan het leren zijn om meer bevriend te worden met die aspecten in onszelf die we voordien wegduwden uit schrik of schaamte. Door te erkennen dat we menselijk zijn, lijkt het erop dat we meer ontvankelijk en emotioneel beschikbaar kunnen zijn voor onze cliënten. Dat is tenslotte wat alle EFT-therapeuten hopen te kunnen bieden.

Ik wil graag alle supervisanten bedanken die me de toestemming gaven om bovenstaande voorbeelden te gebruiken.